Archief van de Dienst voor de Duitse Krijgsgevangenen van de Belgische 40 Inventaris van het archief van de Dienst voor de Duitse Krijgsgevangenen van de Belgische Middendienst voor de Krijgsgevangenen 1914-1921 (1922-1926) Erik Janssen 2011 Brussel Koninklijk Museum van het Leger en de Krijgsgeschiedenis Musée Royal de l’Armée et d’Histoire Militaire INHOUDSOPGAVE III. WOORD VOORAF ............................................................................................. 7 ALGEMENE BESCHRIJVING VAN HET ARCHIEF ................................. 9 I. IDENTIFICATIE ................................................................................................................. 9 II. CONTEXT.......................................................................................................................... 9 A. Archiefvormer .............................................................................................................. 9 B. Geschiedenis en verwerving van het archief .............................................................. 18 INHOUD EN ORDENING ............................................................................................. 20 A. Inhoud ........................................................................................................................ 20 B. Ordening ..................................................................................................................... 29 IV. RAADPLEGING EN GEBRUIK ................................................................................... 36 A. Voorwaarden voor de raadpleging ............................................................................. 36 B. Voorwaarden voor de reproductie .............................................................................. 36 C. Taal en schrift ............................................................................................................. 36 V. VERWANT MATERIAAL ............................................................................................. 36 A. Documenten met een verwante inhoud ...................................................................... 36 B. Publicaties .................................................................................................................. 38 VI. BESCHRIJVINGSBEHEER .......................................................................................... 41 INVENTARIS .................................................................................................... 43 I. SECRETARIAAT .............................................................................................................. 43 II. BEHEER VAN DE KRIJGSGEVANGENEN................................................................. 43 A. REGISTRATIE VAN DE KRIJGSGEVANGENEN ................................................ 43 B. WERKZAAMHEDEN IN FUNCTIE VAN DE SAMENWERKING MET FRANKRIJK .................................................................................................................. 45 1. Algemeen ............................................................................................................... 45 2. Onderzoek naar het aantal krijgsgevangenen in Belgische handen. .................... 45 3. Onderzoek naar de plaats van internering ............................................................ 46 4. Overbrenging van Duitse krijgsgevangenen uit Afrika ......................................... 48 C. DE OPVOLGING VAN DE REPATRIERING VAN BEPAALDE CATEGORIEEN KRIJGSGEVANGENEN ............................................................................................... 50 1. Algemeen ............................................................................................................... 50 2. Oostkantons ........................................................................................................... 50 3. Polen, Sleeswijkers, Litouwers, Oostenrijkers, Tsjecho-Slowaken, Joegoslaven en Bulgaren ..................................................................................................................... 51 4. Russen en Italianen ............................................................................................... 51 5. Gewonden en medisch personeel .......................................................................... 52 6. Gegijzelden ............................................................................................................ 53 5 III. INLICHTINGENDIENST ................................................................................................. 53 A. DIENST INFORMATIEVERSTREKKING ............................................................. 53 1. Algemeen ............................................................................................................... 53 2. Dossiers inzake het beantwoorden van vragen van humanitaire organisaties, overheden en particulieren aangaande het lot van krijgsgevangenen ...................... 57 3. Dossiers inzake het beantwoorden van vragen waarvoor medekrijgsgevangenen werden ondervraagd ................................................................................................ 154 4. Uitwisselen van informatie over krijgsgevangenen met de kampen van Auvours en Wulveringem ............................................................................................................ 156 5. Verstrekken en vergaren van informatie over gehospitaliseerde krijgsgevangenen162 6. Verstrekken en vergaren van informatie over krijgsgevangenen betrokken bij arbeidsongevallen .................................................................................................... 164 B. DIENST OVERLIJDENS ....................................................................................... 165 1. Algemeen ............................................................................................................ 165 2. Dossiers inzake het verwerken van de aanvragen van overlijdenscertificaten van krijgsgevangenen ..................................................................................................... 169 C. DIENST NALATENSCHAPPEN .......................................................................... 183 1. Algemeen ............................................................................................................ 183 2. Dossiers inzake het beantwoorden van vragen over nalatenschappen ............. 185 D. DIENST MANDATEN ............................................................................................ 192 1. Algemeen ............................................................................................................. 192 2. Verwerken van klachten over steungelden, bezittingen, enz ............................... 194 E. DIENST AANVRAGEN VISUMS EN VRIJLATINGEN ..................................... 198 F. VERWERKING VAN KLACHTEN OVER DE BEHANDELING VAN KRIJGSGEVANGENEN ............................................................................................. 211 1. Klachten van humanitaire organisaties en overheidsinstanties ......................... 211 2. Klachten van particulieren ................................................................................. 214 TEWERKSTELLING EN DE TEGOEDEN ............................................................... 215 A. REGISTRATIE VAN DE TEWERKSTELLING EN DE TEGOEDEN ............... 215 B. FINANCIEEL BEHEER ......................................................................................... 216 1. Algemeen ............................................................................................................ 216 2. Verwerking van de stortingen van de tegoeden door het Korps van de Krijgsgevangenen naar de Belgische Middendienst voor de Krijgsgevangenen ..... 217 a. Europa ............................................................................................................. 217 b. Koloniaal Leger .............................................................................................. 222 3. Tegoeden van de krijgsgevangenen ..................................................................... 223 DOCUMENTATIE ...................................................................................................... 225 IV. V. 6 WOORD VOORAF Krijgsgevangenen zijn bij het uitbreken van Wereldoorlog I geen nieuw fenomeen. Integendeel, het is al eeuwen een onderdeel van oorlogsvoering. Krijgsgevangenschap tijdens de Eerste Wereldoorlog onderscheidt zich echter sterk van voorgaande oorlogen. In totaal worden tussen 1914 en 1918 8,5 miljoen militairen en burgers krijgsgevangen genomen, waarvan ongeveer de helft in Duitse en Oostenrijk-Hongaarse handen vielen. In tegenstelling tot het Oostfront, waar een bewegingsoorlog het maken van grote aantallen krijgsgevangenen toeliet, lag het westelijke front nagenoeg stil. Het aantal krijgsgevangenen in Britse, Franse en Belgische kampen loopt dan ook niet verder op dan 750 000 gevangenen. Met deze gevangenen ging men niet naar believen om. In de late negentiende eeuw en begin twintigste eeuw werd, met het Rode Kruis als drijvende kracht, gewerkt aan een indijking van het leed van gewonden en krijgsgevangenen. De internationaal erkende verdragen van Genève (1864 en 1906) en de Conventies van Den Haag (1899 en 1907) leggen de behandeling van krijgsgevangenen en gewonden vast. In een late fase van de oorlog worden ook met betrekking tot de behandeling van krijgsgevangenen en repatriëring van bepaalde groepen krijgsgevangenen de Frans-Duitse akkoorden van Bern gesloten. Zo vloeit er uit de oorlogsvoering een parallel lopende humanitaire activiteit voort. In de oorlogsvoerende landen worden hulpcomités opgericht met als doel de gevangenschap van landgenoten te verzachten, informatie te vergaren en steeds aanwezige mistoestanden aan te klagen. Neutrale landen, zoals Spanje en Nederland en het Internationale Rode Kruis zijn niet gebonden aan nationalistische reflexen, en zullen tot na de oorlog voor het uitwisselen van informatie, gevangenen en bezittingen de rol van tussenpersoon op zich nemen. Zij zullen ook hulpbevoorrading organiseren en inspectierondes doen. Daartegenover staan de nationale inlichtingendiensten voor krijgsgevangenen die door de oorlogsvoerende landen opgericht worden. Tussen deze inlichtingendiensten en de hulporganisaties ontstaat een intense uitwisseling van informatie. 7 Een ander belangrijk aspect van krijgsgevangenschap tijdens de Eerste Wereldoorlog is de gedwongen arbeid. De Conventie van Den Haag staat dit gebruik toe en alle strijdende partijen, de ene al wat later dan de andere, zullen daar intensief van gebruik maken. Tot slot kan er ook niet voorbijgegaan worden aan de repatriëring van al deze gevangenen. De Haagse Conventie bepaalt uitdrukkelijk dat alle gevangenen zo snel mogelijk na het staken van de vijandelijkheden terug naar huis moeten keren. Na de oorlog was dit niet zo vanzelfsprekend. De krijgsgevangenen werden door de overwinnaars als pasmunt gebruikt bij onderhandelingen en heel wat landen zagen hun grenzen aangepast. 8 ALGEMENE BESCHRIJVING VAN HET ARCHIEF I. IDENTIFICATIE Referentie: BE – KLM/MRA DDKG Naam: Archief van de Dienst voor de Duitse Krijgsgevangenen van de Belgische Middendienst voor de Krijgsgevangenen (DDKG). Datering: 1914-1921 (1922-1926). Beschrijvingsniveau: archiefbestand. Omvang: 3027 nrs ( 22 s.m.) II. CONTEXT A. ARCHIEFVORMER Wanneer in augustus 1914 het Duitse leger België overrompelt, worden ook de Belgische militaire autoriteiten geconfronteerd met de problematiek van krijgsgevangen genomen Duitse militairen en burgers. Het Dépôt de Mendicité te Hoogstraten is de eerste plaats waar deze gevangenen worden geconcentreerd. Dit kamp zal slechts kort functioneren en onder druk van de snelle Duitse opmars sluist men de krijgsgevangenen door naar Dépôt nr. 2 te Brugge. In de Versterkte Stelling Antwerpen worden twee verzamelplaatsen voor krijgsgevangenen ingericht; een eerste in de Antwerpse gevangenis en een tweede op het schip de S.S. Ganelon1. Tijd om ook te Doornik twee depots te vestigen is er niet – de Duitse troepen rukken te snel op en de krijgsgevangenen, uitgezonderd enkele zwaargewonden, worden naar Frankrijk geëvacueerd waar zij onder het toezicht van de Franse militaire autoriteiten vallen. Conform de wetten en gebruiken voor een landoorlog, overeengekomen in de Conventies van Den Haag, blijft België wel verantwoordelijk voor zijn krijgsgevangenen2. 1 Zie inventarisnummer 44. 2 Conventies van Den Haag 1899 en 1907, Oorlogswetten, Wetten en Gebruiken voor een Landoorlog, Sectie I, Hoofdstuk II: krijgsgevangenen, art. 7. 9 Die verantwoordelijkheid houdt volgens artikel 14 van de Haagse Conventie ook in dat elke oorlogsvoerende natie verplicht is een inlichtingendienst voor krijgsgevangenen op te richten. Kerntaak van deze dienst is het beantwoorden van vragen over het lot van krijgsgevangen genomen vijandelijke troepen. Men moet in staat zijn accurate informatie te geven over ondermeer de verblijfplaats, een eventuele hospitalisatie en het overlijden van een krijgsgevangene. Elke verandering in de toestand van een krijgsgevangene dient te worden opgetekend. Daarnaast moet de dienst er ook over waken dat op het slagveld teruggevonden persoonlijke bezittingen -veelal van gesneuvelden- en van overleden, ontsnapte of onder voorwaarden vrijgelaten krijgsgevangenen aan de belanghebbenden worden bezorgd 3. Het Belgische Ministerie van Oorlog heeft al snel na de Duitse inval de Dienst voor de Duitse Krijgsgevangenen opgericht4. België had in 1910 de Haagse conventies betreffende de landoorlog bij wet opgenomen en de dienst voldoet aan de noden van de vereiste inlichtingendienst. In 1911 wordt een instructie voor de behandeling van krijgsgevangenen en de afhandeling van de daaruit vloeiende administratie gepubliceerd5. Tot december 1917 beantwoordt deze dienst allerhande vragen en volgt de registratie van de krijgsgevangenen op. Bij hospitalisatie van een gevangene werd een kopie van de inlichtingenfiche model 5 aan de Duitse overheid bezorgd. In geval van overlijden werd een overlijdenscertificaat overgemaakt. De registratie van de krijgsgevangenen bezorgt de dienst nog wel wat kopzorgen. Elke gevangene werd door het Belgische leger geregistreerd middels een standaarddocument: de inlichtingenfiche model 5. In de lente van 1916 blijkt dat het totale aantal krijgsgevangenen niet overeenkomt met het aantal opgestelde inlichtingenfiches. Een uitgebreid onderzoek naar het aantal en verblijfplaats van de gevangenen wordt ingesteld. Dit onderzoek weerspiegelt zich in het archief met talloze namenlijsten en berekeningen 3 Conventies van Den Haag 1899 en 1907, Oorlogswetten, Wetten en Gebruiken voor een Landoorlog, Sectie I, Hoofdstuk II: krijgsgevangenen, art. 14. Zie ook art. 15-17. 4 Ministerie van Oorlog, Departement van Oorlog, 1ste Algemene Directie, 2de bureau, 2de sectie, Dienst voor de Duitse Krijgsgevangenen. Zie ook inventarisnummer 140. 5 Réglement sur le droit de guerre et instruction sur le Service des Prisonniers de guerre, Brussel, Guyot Fréres Editeurs, 1911, 82 p.. 10 allerhande en werd door de Belgische Middendienst verdergezet om de tewerkstelling van de gevangenen voor te bereiden6. In december 1917 worden de bevoegdheden van de inlichtingendienst overgedragen naar de pas opgerichte Belgische Middendienst voor de Krijgsgevangenen. Deze Dienst valt onder het Ministerie van Justitie en speelt zowel een rol als centrale hulporganisatie voor de Belgische krijgsgevangenen als van een inlichtingendienst voor de Duitse krijgsgevangenen7. De bevoegdheidsoverdracht naar het Ministerie van Justitie druist in tegen de instructie betreffende een dienst voor krijgsgevangenen die bepaalt dat een inlichtingendienst voor krijgsgevangenen binnen het Ministerie van Oorlog moet opereren8. Maar dat is geen belemmering aangezien de Conventie van Den Haag geen nadere duiding geeft over welke overheidsinstantie de bevoegheid moeten hebben over de inlichtingdienst. Bovendien biedt het centraliseren van zowel de hulp aan Belgische krijgsgevangenen in Duitse kampen als het verstrekken en verzamelen van inlichtingen over Duitse krijgsgevangenen in één organisme alleen maar voordelen. Om de continuïteit van de werking van de inlichtingendienst te verzekeren en wegens zijn kennis van de procedures wordt op 26 december 1917 Maréchal des Logis Leopold Vanroy van de Dienst van de Duitse Krijgsgevangenen overgeplaatst naar de pas opgerichte Belgische 6 Zie inventarisnummers 47 t.e.m. 79. 7 KB van 1/12/1917 betreffende de Belgische Middendienst voor de Krijgsgevangenen (BS 2-8/12/1917). Voor een overzicht van de activiteiten van de Middendienst inzake de Belgische krijgsgevangenen zijn de gepubliceerde jaarboeken en de inventaris door Vanden Bosch Hans van het archiefbestand van de Middendienst berustend in het Algemeen Rijksarchief uitstekende bronnen. Voor de Dienst voor de Duitse krijgsgevangenen is enkel het laatste rapport (1924) relevant: Œuvre d’assistance aux prisonniers belges en Allemagne. Comité central : Le Havre. Rapport présenté à l’assemblée générale du 9 décembre 1916, Parijs, 1917; Œuvre d’assistance aux prisonniers belges en Allemagne. Comité central : Le Havre. Rapport présenté à l’assemblée générale du 26 février 1917, Parijs, 1917; Office central belge pour les prisonniers de guerre. Troisième rapport annuel, présenté à l’assemblée générale du 10 janvier 1918, Brussel, 1918; Office central belge pour les prisonniers de guerre. Quatrième et dernier rapport septembre 1917- mars 1924, Brussel, 1924 ; Vanden Bosch Hans, Inventaris van het archief van de Belgische Middendienst voor de Krijgsgevangenen (1914-1925),Brussel, Algemeen Rijksarchief, 2009, 77 p.. 8 Réglement sur le droit de guerre et instruction sur le Service des Prisonniers de guerre, Brussel, Guyot Fréres Editeurs, 1911, p.64. 11 Middendienst voor de Krijgsgevangenen. Met hem verhuizen ook de archieven van de inlichtingendienst en deze betreffende de Belgische gevangenen geïnterneerd in Zwitserland9. Maar niet alleen de bevoegdheden van de inlichtingendienst worden naar de Middendienst overgedragen, ook de archiefbestanddelen van het Bureau Nalatenschappen10 veranderen van eigenaar en komen bij de Dienst voor de Duitse Krijgsgevangenen terecht. Begin maart 1918 hevelt dit bureau haar archief betreffende eigendommen van gesneuvelden gevonden op het slagveld of in hospitalen en kampen overleden Duitse krijgsgevangenen over11. Niet verwonderlijk ook, want het opvolgen van deze dossiers wordt door de Haagse Conventie bij woorde van artikel 14 uitdrukkelijk vermeld als opdracht van een inlichtingendienst. Tussen 1914 en 1921 zal de inlichtingendienst zodoende ook honderden overlijdenscertificaten en zendingen met persoonlijke bezittingen aan de Duitse overheden overmaken12. De Dienst ontving deze immers van hospitalen, kampen of daar waar een bevoegde persoon aanwezig was. Volgens het boekje overigens, zoals artikels 74-76 van de instructie voor de Dienst voor de Krijgsgevangenen het voorschrijven13. Tot eind 1917 blijft het aantal krijgsgevangenen beperkt tot een 3900-tal. Het gros van de Duitse militairen en burgers werden op diverse locaties in Frankrijk ondergebracht14. Onder hen ook een 400-tal die door het Belgische koloniaal leger in Afrika krijgsgevangen zijn gemaakt. Een jaar later echter lopen de aantallen op en na de wapenstilstand heeft België ongeveer 19 000 Duitsers, burgers en militairen, krijgsgevangen genomen. Verdeeld in detachementen en compagnieën zullen zij tewerkgesteld worden in diverse militaire eenheden en diensten. 9 Brief van de Dienst voor de Duitse Krijgsgevangenen aan de Minister van Staat Cooreman, voorzitter van de Belgische Middendienst voor de Krijgsgevangenen: BRUSSEL, Algemeen Rijksarchief [ARA], Archief van de Belgische Middendienst voor de Krijgsgevangenen, nr. 71. 10 Ministerie van Oorlog, 1ste Algemene Directie. De overgedragen bestanddelen zijn terug te vinden onder de inventarisnummers 2442, 2444, 2448 en 2461 t.e.m. 2470. 11 Zie inventarisnummer 2448. 12 Office central belge pour les prisonniers de guerre, Quatrième et dernier rapport septembre 1917- mars 1924, Brussel, 1924, p. 528. 13 Réglement sur le droit de guerre et instruction sur le Service des Prisonniers de Guerre, Brussel, Guyot Fréres Editeurs, 1911, p.63. 14 Zie inventarisnummers 47 t.e.m. 79. 12 De Belgische regering heeft immers begin 1918 beslist om krijgsgevangenen in te zetten als werkkracht. Artikel 6 van de Haagse Conventie staat het gebruik van krijgsgevangenen als arbeidsreservoir expliciet toe en de praktijk is in 1918 al goed ingeburgerd bij de strijdende partijen. Slavenarbeid en tewerkstelling in de oorlogsindustrie, hoe rekbaar deze begrippen ook zijn, zijn weliswaar verboden. Duitsland had al in 1915 met de inzet van Russische krijgsgevangen de spits afgebeten. Frankrijk en Groot-Britannië volgden in 1916. De sinds begin 1918 aanslepende discussie of België nu, op Frans grondgebied, al dan niet de verantwoordelijkheid voor de administratie en bewaking van zijn gevangenen op zich zal nemen, wordt afgebroken door het einde van de oorlog15. In maart 1918 had België in het kamp van Auvours al ruimte vrijgemaakt voor de opvang van krijgsgevangenen en in juli 1918 richt men het Korps van de Krijgsgevangenen op16. Eind november verlaat dit korps het kamp van Auvours en verplaatst zich naar het kamp van Wulveringem17. De beslissing hiervoor was al eind oktober 1918 genomen. West-Vlaanderen, waarvan grote delen tot puin waren herleid, was toen al bevrijd en men wilde de krijgsgevangen daar zo snel mogelijk aan het werk zetten18. Hulporganisaties zoals het Internationaal Agentschap voor de Krijgsgevangenen, opgericht door het Internationaal Comité van het Rode Kruis, en vooral de ambassades van Spanje en Nederland houden een oogje in het zeil en hun afgevaardigden maken aan het Ministerie van Oorlog de resultaten van inspectierondes over. Ook de Duitse overheid laat zich niet onbetuigd en lanceerde regelmatig een klachtencampagne. Klachten en bevindingen van hulporganisaties kwamen sowieso terecht bij de inlichtingendienst en de rubriek Imputations calomnieuses getuigt van het weerwoord op deze aantijgingen19. 15 De onderhandelingen tussen de verschillende betrokken Belgische ministeries en de Franse overheid over het beheer van de krijgsgevangen zijn terug te vinden onder inventarisnummer 43. 16 Liste des Quartiers-Maîtres avec indication des unités qu’ils ont administrées depuis le 1 août 1914, Ministerie van Oorlog, s.d., p.28. Deze uitgave is terug te vinden in : KLM/MRA, Ministerie van Oorlog, Kabinet, inventarisnummer 1249. Het kamp van Auvours is een Frans militair oefenterrein nabij Le Mans waar België tijdens WO I een opleidingscentrum uitbouwde. Ook het centrale depot voor de krijgsgevangenen was hier even gevestigd. 17 Brief van 17/11/1918 van commandant van het Korps van de Krijgsgevangenen aan de secretaris-generaal van de Belgische Middendienst voor de Krijgsgevangenen. Zie inventarisnummer 148. 18 Brief van de Minister van Oorlog aan de Minister van Buitenlandse zaken. Zie inventarisnummer 43. 19 Zie inventarisnummer 2838 t.e.m. 2886. 13 Ook klachten aangaande de postbezorging en in het bijzonder de postwissels en mandaten werden door de Middendienst behandeld20. Een tewerkgestelde krijgsgevangene bracht heel wat bijkomende administratie met zich mee. Voor het archief van de Dienst voor de Duitse Krijgsgevangenen van de Belgische Middendienst vloeit er vanuit deze activiteit een belangrijke en omvangrijke serie voort, m.n. de carnets de pécule21 (zakboeken) van de krijgsgevangenen en de al dan niet daarbij horende identiteitskaarten. De Dienst stond ook in voor de nalatenschappen van de krijgsgevangenen. In deze optiek werden in juli 1919 de carnets de pécule en de identiteitskaarten van overleden of ontsnapte krijgsgevangenen van het Korps van de Krijgsgevangenen naar de Belgische Middendienst voor de Krijgsgevangenen overgedragen. De carnets van gehospitaliseerde krijgsgevangenen werden naar de respectievelijke verzorgingsinstellingen gezonden22. Deze van de overige gevangenen zullen in 1921 overgedragen worden. Na het Verdrag van Versailles en handelend conform artikel 214 van dat verdrag, gaat het Ministerie van Oorlog over tot repatriëring en tussen 25 september en 4 oktober 1919 sporen een tiental treinen met krijgsgevangenen richting Duitsland23. Een 600-tal zwaargewonden en medisch personeel waren in de lente van 1919 al terug naar Duitsland gezonden in het kader van de akkoorden van Bern24. Vanaf 1919 behandelt de Middendienst overigens ook aanvragen voor vrijlatingen en toelatingen om het Belgische grondgebied te betreden25. De late repatriëring van de Duitse krijgsgevangenen, bijna een jaar na de wapenstilstand, was in strijd met de Conventie van Den Haag, die stipuleert dat alle krijgsgevangenen onmiddellijk na het staken van de vijandelijkheden huiswaarts gestuurd moesten worden. Het wapenstilstandverdrag van 11 november 1918 verplichte Duitsland zijn krijgsgevangenen onmiddellijk te repatriëren, terwijl de geallieerden de zaak pas zouden regelen eens de 20 Zie inventarisnummers 2591 t.e.m. 2644. 21 Zie broncommentaar voor verdere verduidelijking van deze bron. 22 Omzendbrief van de Commandant van het Korps van de Krijgsgevangenen aan de commandanten van de compagnieen en detachementen van krijgsgevangenen. Zie inventarisnummer 2869. 23 Office central belge pour les prisonniers de guerre, op.cit., p.523-526. 24 Zie inventarisnummer 131. 25 Zie inventarisnummers 2645 t.e.m. 2837. 14 onderhandelingen over het vredesverdrag rond waren. Een intergeallieerde permanente wapenstilstandcommissie waakte ondertussen over de uitvoering van het wapenstilstandverdrag en eind november 1918 wordt, met Berlijn als zetel, de Centrale Intergeallieerde Commissie voor de Krijgsgevangenen opgericht, met als doel de terugkeer van de krijgsgevangenen te controleren26. Ook België stuurt een afvaardiging27. De Belgische Missie volgt te Berlijn de Duitse activiteit op en staat ook voor de Duitse krijgsgevangenen in contact met de Belgische Middendienst. Eind 1919 bevinden er zich geen krijgsgevangenen meer op Belgisch grondgebied en wordt het Korps voor de Krijgsgevangenen nagenoeg op non-actief gezet. De laatste krijgsgevangenen, een twintigtal gijzelaars, worden eind januari 1920, wanneer duidelijk is dat alle Belgische krijgsgevangenen teruggekeerd zijn, naar huis gestuurd28. Wanneer begin 1921 de werkzaamheden van het Korps van de Krijgsgevangenen definitief worden afgesloten, wordt het archief van de liquidatie van de Dienst Mandaten, een activiteit die aan het Korps verbonden was, naar de Dienst voor de Duitse Krijgsgevangenen van de Middendienst overgedragen. Onder de overgedragen archiefbestanden bevinden zich ook de carnets de pécule en de identiteitskaarten van de krijgsgevangenen29. Niet onbelangrijk want de Middendienst had ook als taak in afwachting van vrijgave de tegoeden van de krijgsgevangenen te beheren. Deze tegoeden werden in een aantal staten, de zgn. cahiers avoir, opgetekend. De Belgische Middendienst zal zich tot einde december 1921 ook verder blijven toeleggen op het verstrekken van inlichtingen en het behandelen van klachten. Conform internationale afspraken en op vraag van de Spaanse en Nederlandse ambassades stelt de Middendienst per gehospitaliseerde krijgsgevangene ook een inlichtingenfiche op. Het vervolledigen van deze 26 Dit in navolging van het verdrag van Versailles, artikel 215. Voor de Duitse Krijgsgevangenen was er een subcommissie opgericht: de Intergeallieerde Commissie voor de Duitse Krijgsgevangenen (CIPA). 27 Vanden Bosch Hans, Inventaris van het archief van de Belgische Middendienst voor de Krijgsgevangenen (1914-1925), Algemeen Rijksarchief, 2009, p. 17. 28Office central belge pour les prisonniers de guerre, loc.cit. . Zie ook inventarisnummers 133 t.e.m. 136. 29 Zie inventarisnummer 2590. De overgedragen stukken worden bewaard onder inventarisnummers 2575, 2577 t.e.m. 2580 en 2583 t.e.m. 2585. 15 fiches zal vanaf 1920 overgenomen worden door de 6de Algemene Directie. Veel verder dan nota nemen dat de stukken ontvangen zijn, komt deze Directie niet en in 1923 duiken de ordners met fiches op in de kantoren van de SACTA waar men niet weet wat er mee aan te vangen30. De SIAA maakt nog melding van deze serie en besluit dat deze wellicht niet meer door Duitsland zullen worden opgevraagd31. In december 1921 wordt de Middendienst opgedoekt. De activiteiten aangaande de Duitse krijgsgevangenen worden ter liquidatie overgedragen van het Ministerie van Justitie naar het Ministerie van Landsverdediging. De bevoegdheden komen eerst terecht bij de Service Général des Liquidations de Guerre (SGLG) die al snel de verantwoordelijkheid doorschuift naar de 1ste Algemene Directie van het Ministerie van Landsverdediging. Daar zal het 4de bureau van de 2de Directie zich ontfermen over het afsluiten van de activiteiten. Het personeel dat al vanaf 1917 binnen de Middendienst de Duitse krijgsgevangenen voor hun rekening nam, verhuisde netjes mee. Het stopzetten van de werking zal zich tot 1926 voortslepen. Vooral de uitbetaling van de krijgsgevangenen komt wat in het slop terecht. Het 4de bureau zal zich hoofdzakelijk toeleggen op het beantwoorden van de weliswaar sterk in aantal geslonken informatievragen. Daarnaast worden bij de Ministeries van Binnen- en Buitenlandse zaken namenlijsten opgevraagd voor de uitbetaling van krijgsgevangenen die door het vredesverdrag van nationaliteit waren veranderd en nu inwoners waren van bevriende naties zoals Polen, Denemarken en Tsjecho-Slowakije en ook van het nieuwe Belgische grondgebied: de Oostkantons. Eind januari 1924 neemt het 2de bureau van de Service de l’Administration des Corps de Troupe de l’Armee (SACTA) de werkzaamheden over. Ze zal op dezelfde dag ook het archief van het Korps van de Krijgsgevangenen van de 1ste directie overnemen32. De SACTA geeft in 1925 de goedkeuring om een aantal krijgsgevangenen uit Eupen, Malmédy en Sankt-Vith die 30 Nota van 1-02-1924 van de SACTA aan de Algemeen Directeur van de 1ste Directie. Zie inventarisnummer 2866. 31 De serie is bewaard gebleven. Zie inventarisnummers 2124 t.em. 2126. 32 Overdrachtslijst, 31 januari 1924. Zie inventarisnummer 2924. 16 de Belgische nationaliteit hadden verworven de sommen uit te betalen die zij van de Britse overheid hadden gekregen. Ondertussen vangt men ook de opstelling aan van een vierde cahier avoir en één betreffende de firma Hottat, een bosbouwbedrijf dat krijgsgevangenen had tewerkgesteld. De SACTA heeft echter geen tijd om zich met de liquidatie bezig te houden en wanneer de behandelende functionaris in maart 1926 andere taken toebedeeld krijgt, besluit men de liquidatie over te laten aan het zesde bureau van de 2de directie van de Service de l’Intendance, de l’Administration et de Approvisionnements (SIAA). Deze Dienst zal een grondig onderzoek opstarten naar de overgedragen boekhouding, het archiefbestand en in het bijzonder de zgn. cahiers avoir van de Middendienst waarin de tegoeden van de krijgsgevangenen terug te vinden zijn. Deze tegoeden waren na de repatriëring van de krijgsgevangenen door de respectievelijke werkcompagnieën naar de rekening van de Middendienst overgeschreven. De fondsen in kwestie werden daarna overgemaakt aan de schatkist. In de begroting van 1926 werd er voor de rechthebbenden ruimte voorzien. Ook de uitbetaling van krijgsgevangenen die door het vredesverdrag van nationaliteit waren veranderd, werd afgerond. Om de rekening met de krijgsgevangenen die door de gebiedsuitbreiding de Belgische nationaliteit hadden verworven te vereffenen, werd er in maart 1926 een adressenlijst opgevraagd bij het Ministerie van Binnenlandse zaken. De rechtzaak tegen het bosbouwbedrijf Hottat was in september 1926 nog steeds hangende bij de Brusselse handelsrechtbank. Op 2 september 1926 besluit een interne nota, veeleer een historiek van de liquidatie, dat de boeken definitief dicht kunnen en de liquidatie van de inlichtingendienst voor Duitse krijgsgevangenen kan worden afgesloten33. 33 Nota van 2-09-1926 betreffende de liquidatie van de Dienst voor de Duitse Krijgsgevangenen. Zie inventarisnummer 2924. 17 B. GESCHIEDENIS EN VERWERVING VAN HET ARCHIEF De geschiedenis van het bestand valt in twee delen uiteen. Enerzijds is er de historiek van de dynamische fase die zich kenmerkt door verschillende overdrachten van bevoegdheden en archiefbestanden. Daarnaast staat het al even boeiende wedervaren van het bestand als statisch archief. De oorspronkelijke archiefvormer is de Dienst voor de Duitse Krijgsgevangenen van het Ministerie van Oorlog. Van 1914 tot december 1917 legt de Dienst de basis voor de series, rubrieken en werkwijzen van een inlichtingendienst vast. Ook de registratie van de krijgsgevangenen wordt in deze periode gestandaardiseerd. Daarnaast start de Dienst ook het onderzoek naar de aantallen krijgsgevangenen onder Belgische hoede. In december 1917 worden de bevoegdheden en het archief van het inlichtingenbureau overgedragen naar de pas opgerichte Belgische Middendienst voor de Krijgsgevangenen. Kort daarna, in maart 1918, worden ook relevante archiefbestanddelen van het Bureau Nalatenschappen overgedragen. Vanaf de lente van 1918 beginnen de aantallen krijgsgevangenen snel op te lopen en hun tewerkstelling doet vanaf 1919 het archief van de Middendienst nog wat aandikken. Niet alleen moet men klachten behandelen maar ook de tegoeden voortkomende uit de arbeid van de krijgsgevangenen beheren. In juli 1919 draagt het Korps van de Krijgsgevangenen de loonboeken van overleden of ontsnapte gevangenen aan de Middendienst over. De resterende loonboeken worden begin 1921, wanneer men het Korps van de Krijgsgevangenen opdoekt, samen met de archieven van de liquidatie van de dienst Mandaten van het Korps naar de Middendienst overgedragen. December 1921: de Belgische Middendienst wordt opgedoekt. De koek wordt netjes verdeeld onder de Ministeries van Justitie, Binnenlandse zaken en Economische zaken. Het Ministerie van Landsverdediging moet de liquidatie van de Dienst voor de Duitse Krijgsgevangenen tot een goed einde brengen. Nadat opeenvolgend verschillende diensten zich over de liquidatie hebben ontfermd, wordt deze in 1926 afgesloten. 18 In mei 1940 gaan de Duitsers ermee aan de haal en slaan het bestand op in de Aktensammelstelle West te Wannsee bij Berlijn. Vijf jaar later is het weer prijs. Dit keer is het Rusland dat het bestand, samen met andere Belgische archieven, in beslag neemt. De lange tijd verloren gewaande archieven komen na het einde van de Sovjet-periode terug boven water. Al die jaren lagen de bestanden opgesloten in het Osoby-archief te Moskou. De internationale belangstelling is groot en heel wat landen eisen hun archieven terug. Zo ook België. Het grootste Belgische fonds, ongeveer 1,6 km aan archief, is afkomstig van het Ministerie van Defensie en wordt in 2002, naast andere Belgische archieven, na een moeizame restitutieprocedure aan België overgedragen34. 34 Herrebout E. , De Duitse Archivschutz in België tijdens de Tweede Wereldoorlog, Algemeen Rijksarchief, Brussel, 1997, 346 p.; Lust J., Steenhaut W., Vermote M., Een zoektocht naar archieven. Van NISG naar AMSAB, Gent, Druk in de weer, 1997, 177 p.; Lust J. en Vermote M., “Papieren bitte! The confiscation and restitution of Belgian archives and Libraries (1940-2003)”. In Returned from Russia. Nazi Archival plunder in Western Europe and recent restitution issues, Leicester, Institute of art and law and contributors, 2007, pp. 191- 225; “De terugkeer van de ‘Russische’ archieven”, in: Vizier, driemaandelijks infoblad van het Koninklijk Legermuseum, Brussel, 2002, p. 1-2. 19 III. INHOUD EN ORDENING A. INHOUD De aanwezige archiefbestanddelen betreffen vooral grote series. Binnen deze series kan er een tweedeling gemaakt worden. Zo zijn er series – fiches en steekkaarten- gevormd door het registreren en beheren van krijgsgevangenen en hun activiteiten en series - de dossiers- die volgen uit het verstrekken van inlichtingen en het ter beschikking stellen van informatie. Bronnen betreffende registratie en beheer van de krijgsgevangenen 1. Inlichtingenfiche model 5 Nagenoeg de grootste serie van het archiefbestand wordt gevormd door een 19000-tal inlichtingenfiches model 535. De fiche model 5 is een standaardformulier waarop, veelal bij aankomst in een opvangplaats, alle gegevens van de krijgsgevangene werden opgetekend. Niet alleen vinden we biografische maar ook genealogische én biometrische gegevens terug. Ook ruimte voor gegevens zoals de plaats van gevangenname, verblijfplaats, hospitalisatie, overlijden en begraafplaats, ontbreekt niet. Zelfs indien een gevangene ontsnapte kon er op de fiche daar nota van worden gemaakt. Op heel wat fiches vinden we ook pasfoto’s terug. Deze fiches zijn in meervoud opgemaakt. Een eerste exemplaar werd opgemaakt in een opvangplaats waar een bevoegde militair aanwezig was. Deze fiches werden alfabetisch geklasseerd en zijn bewaard in het archiefbestand van het Korps van de Krijgsgevangenen. Een kopie van elke fiche werd doorgestuurd naar de Belgische Middendienst voor de Krijgsgevangenen, die de fiche op haar beurt bij ontvangst nummerde en ook op deze wijze klasseerde. Dit nummer staat nagenoeg overal in blauwe kleur en in handschrift dwars over het document genoteerd. 35 Zie inventarisnummers 8 t.e.m. 28. 20 2. Toegang tot de inlichtingenfiches model 5 De serie inlichtingenfiches model 5 is toegankelijk via een steekkaartensysteem36. Op alfabetisch geordende fiches in postkaartformaat noteerde de Middendienst in eerste instantie kort en bondig de naam, rang en eenheid van de krijgsgevangene. Naast het stamnummer dat men bij gevangenneming krijgt, wordt ook het nummer van de corresponderende fiche model 5 op de steekkaart opgetekend. Niet alle steekkaarten zijn vormelijk identiek. Na verloop van tijd werd er ook op de steekkaarten bijkomende informatie zoals overlijden, ontsnapping of vervroegde repatriëring genoteerd. Deze serie steekkaarten zal nog door de gebruiker geraadpleegd moeten worden om inlichtingenfiches op te vragen. Daarnaast bestaat nog steeds de mogelijkheid om de alfabetisch geordende inlichtingenfiches van het Korps van de Krijgsgevangenen te raadplegen. 3. De Carnets de pécule Een tweede grote serie bestaat uit een 12000- tal Carnets de pécule37. De Conventie van Den Haag stond het inzetten van krijgsgevangenen als werkkracht toe. Uiteraard maakten alle oorlogsvoerende landen daar van gebruik. En dus ook België. Elke krijgsgevangene die aan het werk werd gezet ontving van het Korps van de Krijgsgevangenen een zakboek waarin nauwgezet naast biografische en biometrische gegevens ook de respectievelijke overplaatsingen, de kledij, het loon en uitgaven van een krijgsgevangene werden genoteerd. Ook de ontvangen postwissels en steungelden kunnen we hier terugvinden. Heel wat zakboeken gaan vergezeld van één of twee identiteitskaarten38 met vermelding van de identiteit, rang, eenheid, lengte en oogkleur van de krijgsgevangene. Ook hier vinden we pasfoto’s terug. In deze serie bevinden zich ook steekkaarten. Deze maken integraal deel uit van de serie maar zijn van latere datum en werden opgesteld door de SIAA. Deze dienst ging de tegoeden van 36 Zie inventarisnummers 31 t.e.m. 39. 37 Zie inventarisnummers 2887 t.e.m. 2913. 38 Onder inventarisnummer 2914 wordt nog een kleine aparte serie identiteitskaarten bewaard. Vermoedelijk zaten deze papieren oorspronkelijk in de zakboeken maar werden er tijdens het onderzoek naar de tegoeden uit verwijderd. 21 de krijgsgevangenen na in de zakboeken. Ontbrak er een, dan werd ter vervanging een steekkaart opgesteld. 4. Fiches met tegoeden: de fiches avoir Deze serie bestaat uit fiches in postkaartformaat waarop de naam, de militaire graad, regiment, stamnummer en de tegoeden van een krijgsgevangene genoteerd staan39. Daarnaast vinden we ook gegevens over de tewerkstellingscompagnie en de datum van repatriëring of ontsnapping terug. Deze serie stamt uit periode van de Middendienst en werd afgewerkt door de SIAA. Deze dienst ploos de boekhouding van de Middendienst betreffende de Duitse krijgsgevangenen grondig uit en noteerde per krijgsgevangene wiens naam opdook in de cahiers avoir het totale tegoed op diens fiche avoir. Daarnaast werden deze gegevens in de carnets de pécule opgenomen. Op de fiches staat ook in welk cahier avoir en op welke pagina daarin de gegevens te vinden zijn. Dit laatste is niet altijd even foutloos gebeurd maar via de naam van de tewerkstellingscompagnie kan men de gegevens ook terugvinden. De fiches avoir van de krijgsgevangenen tewerkgesteld bij het bosbouwbedrijf Hottat werden apart geordend. 5. De cahiers avoir Een cahiers avoir is een staat met opgave van de toegoeden van de krijgsgevangenen. Deze tegoeden waren door het Korps van de Krijgsgevangenen overgeschreven naar de Middendienst, die dit optekende in een kasboek en per tewerkstellingscompagnie een staat van tegoeden van de krijgsgevangenen opmaakte40. Deze staten werden later overgeschreven in de cahiers avoir. Drie cahiers werden opgesteld door de Middendienst41. Het vierde en dat voor de firma Hottat zijn door de SACTA samengesteld42. 39 Zie inventarisnummers 2915 t.e.m. 2918. 40 Zie inventarisnummers 3006, 3007 en 3009 t.em. 3012. 41 Zie inventarisnummers 3017 t.e.m. 3020. 42 Zie inventarisnummers 3015 en 3020. 22 De dossiers van de inlichtingendienst 1. De toegang tot de dossiers Voor de ontsluiting van de dossiers van de inlichtingendienst had men een steekkaartensysteem43 ontwikkeld waarbij per persoon waarover een dossier bestond, een steekkaart werd opgemaakt met vermelding van identiteitsgegevens, het inschrijvingsnummer in de agenda en, indien van toepassing, de vindplaats van het bestanddeel zoals dit was genoteerd in de indicateur. Via deze nummers en codes kon men de dossiers gemakkelijk terugvinden. De serie dossiers 8 kreeg, vanuit een praktische overweging, in het classificatieschema een bijkomende nummering oplopende van 8a/001 tot 8g/257. Deze dossiers waren bij aanvang van de inventarisatie grotendeels volgens deze bijkomende nummering geordend. De volgorde is, op enkele uitzonderingen na, chronologisch en gelijklopend met het agendanummer. In dit verband gaven wij er de voorkeur aan alle dossiers binnen eenzelfde serie te ordenen volgens het agendanummer. Voor de ontsluiting van het archief voor de hedendaagse gebruiker zijn de toevoegingen binnen de dossiers 8 en de vermelding van het agendanummer echter niet noodzakelijk. De dossiers zijn op naam ontsloten en via een digitale versie van het bestand is het mogelijk snel de dossiers terug te vinden. Deze ontsluitingswijze vervangt m.a.w. de oude toegang via steekkaarten die bedoeld was voor gebruik binnen een dynamisch archief. Toch is, waar beschikbaar, ter valorisatie van de oude toegang, het agendanummer als opgenomen in een concordans voor het archiefdossier. En, in tegenstelling tot het steekkaartensysteem dat toegang geeft tot inlichtingenfiches model 5, hoeven de steekkaarten met betrekking tot de dossiers niet geraadpleegd te worden door de gebruiker. 43 Zie inventarisnummers 137 t.e.m. 139. 23 2. Series gevormd door de Dienst Informatieverstrekking Binnen deze activiteit kunnen verschillende series onderscheiden worden. De omvangrijkste serie werd door de Dienst voor de Duitse Krijgsgevangenen van de Belgische Middendienst geklasseerd onder de rubriek Dossiers 8 met daarin honderden persoonsdossiers, hoofdzakelijk geordend volgens het nummer in de agenda44. Binnen deze rubriek vallen alle antwoorden op vragen over het lot van een krijgsgevangene of een vermiste. Hulporganisaties zoals het Rode Kruis, maar ook gouvernementele organisaties zijn voor verontruste familieleden in deze barre tijden de geijkte wijze om in contact te komen met krijgsgevangenen van wie zij soms lange tijd niets meer hebben vernomen. Heel wat dossiers worden dan ook geopend met een standaardformulier, opgestuurd door een hulporganisatie, waarbij gevraagd wordt over de opgegeven persoon of personen de gevraagde informatie ter beschikking te stellen. Waar bevindt men zich, leeft men nog en waar ligt men begraven, zijn de meest voorkomende vragen. Kortom, een schat aan informatie. Daarnaast is er de serie van informatievragen waar voor het onderzoek naar het lot van een krijgsgevangene één of meerdere van zijn medegevangenen werd ondervraagd45. De serie komt wat betreft het informatiegehalte overeen met de serie dossiers 8. Hetzelfde geldt grotendeels ook voor de serie dossiers waarvoor er informatie uitgewisseld werd met de kampen van Auvours en Wulveringem46. In deze serie komen echter meerdere onderwerpen aan bod en zijn zowel taak- als zaakdossiers terug te vinden. De serie is dan voor de onderzoeker ook een zeer interessante bron. Hoewel nagenoeg elk van deze dossiers onder een meer specifieke taak of op een ander niveau kan geplaatst worden, is er voor gekozen de oude orde van deze serie te behouden en ze zodus als één geheel te beschrijven. De serie geeft immers een zicht op de samenwerking van de Middendienst met het Korps van de Krijgsgevangenen. De serie was niet opgenomen in de classificatie waardoor we er voor kozen deze onder te brengen op het niveau van de Dienst informatieverstrekking, ons inziens het meest gepaste niveau. 44 Zie inventarisnummers 181 t.e.m. 1993. 45 Zie inventarisnummers 1994 t.e.m. 2022. 46 Zie inventarisnummers 2023 t.e.m. 2104. 24 Een andere serie binnen de Dienst Informatieverstrekking is ontstaan op vraag van de Nederlandse en Spaanse ambassades en conform internationale afspraken47. Het betreft hier een serie van een 3000-tal alfabetisch geordende inlichtingenfiches van gehospitaliseerde krijgsgevangenen. Deze fiches zijn formeel en inhoudelijk verschillend van de fiches model 5 en hebben enkel als doel gehad aan bovenstaande vraag te voldoen. De fiches volgen een ietwat eigenaardig parcours. Opgesteld door de Middendienst worden de fiches in februari 1920 overgemaakt aan de 6de Algemene Directie van het Ministerie van Landsverdediging om de fiches te vervolledigen. Hiervan komt echter niets in huis. In februari 1924 maakt een ietwat bitsige nota van de SACTA melding van deze fiches. De bevoegde ambtenaar bij de SACTA vraagt zich wanhopig af wat hij moet aanvangen met deze fiches en of het werk overgedaan moet worden. Nagenoeg twee jaar later, in 1926, besluit de SIAA deze fiches definitief te klasseren: Duitsland zal er nooit naar vragen48. Een laatste, minder omvangrijke serie, was geklasseerd onder de dossiers 10 divers omvat dossiers inzake arbeidsomgevallen waarbij krijgsgevangenen betrokken waren. De dossiers geven een interessante kijk op de omstandigheden waarin de krijgsgevangenen tewerkgesteld waren. 3. Dossiers gevormd door de Dienst Overlijdens Deze serie behandelt de kwestie van de overlijdenscertificaten en werd ondergebracht onder de rubriek dossiers 649. Artikel 19 van de Conventie van Den Haag verplichte de oorlogvoerende naties om na het overlijden van een krijgsgevangene een overlijdenscertificaat op te maken. Stipt in naleving van de artikels 74-75 van het Réglement sur le droit de guerre et instruction sur le Service des Prisonniers de guerre50 zal de inlichtingendienst tussen 1914 en 1921 ook honderden overlijdenscertificaten aan de Duitse 47 Zie inventarisnummers 2124 t.e.m. 2126. 48 - Nota van 1-02-1924 van de SACTA aan de Algemeen Directeur van de 1ste Directie. - Nota van 2-09-1926 betreffende de liquidatie van de dienst voor de Duitse Krijgsgevangenen. Zie inventarisnummer 2924. 49 Zie inventarisnummers 2145 t.e.m. 2441. 50 Réglement sur le droit de guerre et instruction sur le Service des Prisonniers de guerre, Brussel, Guyot Fréres Editeurs, 1911, p. 63. 25 overheid overmaken. In dit verband is het interessant op te merken dat stervenden teruggevonden op het slagveld ook als krijgsgevangenen werden beschouwd en dat binnen deze categorie ook gesneuvelden lijken te vallen. Het opmaken van een overlijdensakte is in oorlogstijden niet altijd vanzelfsprekend en deze traceren en een certificaat ervan opmaken nog minder. Niet alle nabestaanden ontvingen zodoende een certificaat en de Middendienst zal vragen daaromtrent beantwoorden. Hiervan getuigen de dossiers 6, waarin er twee soorten dossiers op te merken zijn. Nagenoeg alle dossiers worden geopend met een vraag van een hulporganisatie, overheid of particulier naar één of meerdere overlijdenscertificaten. Die dossiers die succesvol kunnen worden afgesloten – het overlijdenscertificaat wordt of is reeds opgestuurd naar het Ministerie van Buitenlandse Zaken- zijn dikwijls het toonbeeld van administratief bandwerk. Maar van lang niet alle overledenen is er een overlijdensakte terug te vinden en de zoektocht van de inlichtingendienst naar meer informatie doet deze dossiers aardig aandikken met gegevens over de plaats en omstandigheden van het overlijden. Deze gegevens worden opgevraagd bij verschillende correspondenten zoals hospitalen, kampen, lokale besturen en militaire diensten verantwoordelijk voor begravingen en grafplaatsen. 4. Dossiers gevormd door de Dienst Nalatenschappen In geval van overlijden moest er niet alleen een overlijdenscertificaat opgemaakt en verstuurd worden, ook de bezittingen van de overledene dienden uit hoofde van artikel 14 van de Haagse Conventie hun weg naar belanghebbenden terug te vinden51. In dit kader werden honderden zendingen naar de Duitse overheid gestuurd. Ook hier is daarmee niet altijd de zaak afgehandeld en moet de Middendienst vragen over de teruggave van bezittingen van gesneuvelden en overleden of vermiste krijgsgevangenen beantwoorden. We vinden heel wat inventarissen terug. De dossiers bevatten veel informatie over de plaats en omstandigheden van overlijden en werden ondergebracht onder de rubriek Dossiers 952. 51 Zie ook artikel 76-77 in : Réglement sur le droit de guerre et instruction sur le Service des Prisonniers de guerre, loc.cit.. 52 Zie inventarisnummers 2442 t.e.m. 2569. 26 5. Dossiers gevormd door de Dienst Mandaten Hoewel begin 1918 de Belgische Middendienst kort ook als doorgeefluik fungeert voor de post geadresseerd aan Duitse krijgsgevangenen, besluit men al snel de correspondentie, postwissels en postpakketten rechtstreeks naar de kampen te sturen, dit met een tussenstop bij de dienst Censuur gevestigd in het kamp van Auvours en later, vanaf november 1918, in het kamp te Wulveringem. Met deze beslissing tracht men de post sneller aan de bestemmelingen te bezorgen. Dit niet enkel uit liefdadigheid maar vooral omdat men vreesde voor Duitse represailles op Belgische krijgsgevangenen indien de postbedeling niet vlot raakte53. De Dienst Mandaten zorgt voor de recuperatie en terugbezorging van alle van het thuisfront opgestuurde steungelden, veelal in de vorm van postwissels, die door omstandigheden zoals overlijden, repatriëring of verlies, niet op hun bestemming zijn geraakt. Verloren gemelde maar teruggevonden en gerecupereerde poststukken worden terugbezorgd via de ambassade van Spanje, de Belgische Missie te Berlijn en het Ministerie van Landsverdediging. Daarnaast stuurde de Middendienst ook verkeerd bezorgde postwissels of aangetekende brieven door naar het juiste adres, veelal het verdeelcentrum in het kamp van Wulveringem. De dossiers werden ondergebracht in de rubriek Dossiers 16f mandats54. 53 Minuut van een brief van de Belgische Middendienst voor de Krijgsgevangenen aan de Minister van Oorlog van 3 mei 1918. Zie inventarisnummer 2573. 54 Zie inventarisnummers 2570 t.e.m. 2644. 27 6. Dossiers gevormd door de Dienst aanvragen visums en vrijlatingen De Middendienst behandelt vanaf 1919 aanvragen voor vrijlatingen en toelatingen om het Belgische grondgebied te betreden. De dossiers werden ondergebracht in de rubriek Dossiers 1255. Aanvragen voor vrijlating van krijgsgevangenen worden veelal gericht aan het Ministerie van Buitenlandse Zaken die de aanvragen doorstuurt naar de Middendienst. Deze neemt op haar beurt contact op met het Ministerie van Oorlog om na te gaan wat de mogelijkheden zijn. In heel wat gevallen is de krijgsgevangene al gerepatrieerd. De Middendienst ontvangt ook aanvragen om familieleden te bezoeken, voor vakantie, om vrienden en geliefden terug te vinden of om eenvoudigweg terug te mogen keren naar hun geboorteland België. De aanvragen worden doorgestuurd naar het Ministerie van Justitie die na onderzoek van het dossier al dan niet haar toestemming geeft. De beslissing wordt door de Middendienst aan de aanvrager overgemaakt. Veelal is de aanvrager de Belgische Missie in Berlijn. 55 Zie inventarisnummers 2645 t.e.m. 2837. 28 B. ORDENING Het archiefbestand maakt deel uit van het zgn. Moskou-archief (Fonds 185, Osoby-archief) en is pas in 2002 naar België teruggekeerd. Het Documentatiecentrum van het Koninklijk Museum van het Leger en de Krijgsgeschiedenis stelde voor de snelle ontsluiting een summiere plaatsingslijst met een algemene inhoudsbeschrijving per doos op56. Via een zoekopdracht op trefwoord “krijgsgevangene(n)” en “prisonnier(s) de guerre” ingegeven in de databank van het Moskou-archief werden alle dozen opgezocht die archiefbestandelen over krijgsgevangenen bevatten. Een 167-tal ‘Russische’ dozen57 werden zo door het documentatiecentrum, geselecteerd58. In de loop van de inventarisering werden echter hiaten in het bestand opgemerkt. Vooral de dossiers 8f en 8g lieten zich door hun afwezigheid opmerken en enkele series fiches en steekkaarten vertoonden leemtes. Wat betreft de vermiste dossiers 8 werd eerst aangenomen dat deze vermoedelijk overgedragen waren overgedragen naar de Dienst Militaire Grafsteden Brugge. Het archiefbestand van deze Dienst bevindt zich in het documentatiecentrum van het KLM/MRA en werd, zonder resultaat, doorzocht naar sporen van de verdwenen dossiers 8. Het sterke vermoeden dat er een aantal dozen aan de selectie ontsnapt waren, bracht ons ertoe alle beschrijvingen van de plaatsingslijst onder de loep te nemen. Zodoende was het mogelijk bijkomend nog een 31-tal dozen met betrekking tot de Middendienst te identificiëren59 die de 56 De plaatsingslijst werd opgemaakt door dr. Luc Vandeweyer en Richard Boijen. 57 Het inhoudelijk equivalent van één Russische doos zijn ongeveer drie gebruikelijke archiefdozen. 58 Het betreft hier doosnummers: 58, 63, 157, 187, 418, 501, 513, 575, 623, 682, 754, 1280, 1321, 1323, 1324, 1397, 1416, 1461, 1481, 1482, 1503, 1587, 1626, 1676, 1700, 1708, 1779, 1785, 1819, 1820, 1821, 1822, 1823, 1824, 1825,1826, 1826, 1827, 1828, 1833, 1848, 1856,1868, 1869, 1879,1939, 2053, 2252, 2292, 2487, 2507, 2508, 2579, 2587, 2588, 2599, 2602, 2832, 2906, 3008, 3055, 3090, 3093, 3167, 3211, 3238, 3244, 3286, 3302, 3319, 3404, 3405, 3406, 3407, 3444, 3445, 3446, 3447, 3458, 3459, 3460, 3461, 3462, 3473, 3474, 3475, 3476, 3477, 3478, 3479,3535, 3536, 3546, 3551, 3647, 3795, 3797, 3798, 3800, 3801, 3831, 3846, 3863 3865, 3866, 3870, 3871, 3872, 3891, 3892, 3893, 3894, 3895, 3896, 3897, 3902, 3903, 3905, 3906, 3910, 3919, 3934, 3935, 3936, 3937, 3938, 3939, 3940, 3941, 3942, 3943, 3945, 4034, 4035, 4043, 4052, 4081, 4082, 4083, 4084, 4085, 4086, 4456, 4458, 5152, 5151, 5150, 5149, 5181, 4990, 4999, 4998, 4995, 4986, 4985, 4981, 4969, 4823, 4802, 4796, 4790, 5602, 5521,5531 en 5532. 59 2081, 935, 975, 1556, 2014, 140, 338, 416, 1211, 144, 296, 338, 357, 399, 559, 519, 596, 602, 623, 934, 953, 1095, 3145, 3151, 5503, 5502, 4153, 4154, 4161, 5079, 5513 en 5514. 29 leegtes, met name de dossiers 8 en in de serie inlichtingenfiches model 5, in het bestand mooi opvulden. Ook het archiefbestand van de Middendienst dat in het Algemeen Rijksarchief berust, werd nagekeken op afgedwaalde stukken. In dit opzicht werden twee bestanddelen die Hans Vanden Bosch in een voorontwerp van zijn inventaris als gedeponeerd archief had beschreven, overgedragen naar het bestand dat in het KLM/MRA te vinden is. Het betreft hier de inventarisnummers 12 en 18. Beide bestanddelen zijn in 1914 gevormd in functie van de registratie en het beheer van de Duitse krijgsgevangenen. In 1917 droeg het Ministerie van Oorlog deze over naar de Middendienst, wat duidelijk maakt dat ze bij de werking van de inlichtingendienst hoorden. Maar in 1921 worden ze niet zoals de andere bestanddelen van de Dienst voor de Duitse Krijgsgevangenen terug overgedragen naar het Ministerie van Landsverdediging. Naar de beweegredenen kunnen we alleen maar raden. Het bestemmingsbeginsel biedt echter de mogelijkheid om de beide bestanddelen terug te brengen binnen het bestand waar zij het best op hun plaats zijn, in dit geval het archief van de Dienst voor de Duitse Krijgsgevangenen. De plaatsingslijst liet toe al snel een onderscheid te maken tussen de verschillende grote series van inlichtingenfiches en steekkaarten en de series van administratieve aard. Deze laatste categorie, een 70-tal Russische dozen, kreeg voorrang en de aandacht ging naar bestanddelen waarvan de plaatsingslijst liet uitschijnen dat ze taakomschrijvingen bevatten of er naar verwezen. Deze zitten veelal geconcentreerd in enkele dozen, zoals het dossier over de liquidatie van de Middendienst, maar, zo bleek later tijdens de beschrijving van de series administratie, ook tussen de talloze dossiers waren stukken en dossiers met een taakgericht karakter terug te vinden. Al snel werd de overdrachtslijst uit 1921 teruggevonden, een eerste sleutel voor de toegang tot het archiefbestand. De op stukken, dossieromslagen en verpakking terug te vinden coderingen konden aan de overdrachtslijst gekoppeld worden en zo was de identificatie en afbakening van series en rubrieken mogelijk. Verdere verduidelijkingen waren te vinden in de verschillende al eerder besproken conventies en instructies aangaande de krijgsgevangenen. Daarnaast werd de overdrachtslijst van 1917 niet enkel vergezeld van een 30 kort overzicht van de activiteiten van de Dienst van de Duitse Krijgsgevangenen van het Ministerie van Oorlog maar ook de gebruikte classificatie werd genoteerd60. Het liquidatiedossier ten slotte, bevat, naast de overdrachtslijst van 1921, ook een schat aan informatie over de taakuitvoering na 192161. Zo kon een vrij volledige chronologie van de activiteiten en bevoegdheden van de verschillende opeenvolgende archiefvormers worden opgesteld. Steekproefgewijs werden ook de grote series administratie verkend. Het archiefbestand telt enkele duizenden persoonsdossiers en een ontsluiting van de respectievelijke rubrieken is enkel maar gebruiksvriendelijk indien de dossiers op naam ontsloten zijn. Na een schatting van de verwerkingstijd, werden deze series beschreven62. Ondertussen was het duidelijk geworden dat de selectie uit de plaatsingslijst bestanden van verschillende volgens het bestemmingsbeginsel duidelijk van elkaar te onderscheiden archiefvormers bevatte. Naast het archiefbestand van de Dienst voor de Krijgsgevangenen, konden we ook het archief van het Korps van de Krijgsgevangenen identificeren en enkele bestanddelen horen thuis in de archieven van het Kabinet van het Ministerie van Oorlog, de Generale Staf van het Groot Hoofdkwartier en de verschillende legerafdelingen63. Een studie van deze bestanddelen en niet in het minst deze van het Korps van de Krijgsgevangenen was noodzakelijk om het steeds uitbreidende takenpakket van de Middendienst te kaderen. Beide archiefvormers zijn immers nauw met elkaar verweven. Na de beschrijving van de series administratie werd de aandacht verlegd naar ordening en beschrijving van de series van inlichtingenfiches en steekkaarten waarvan de functie nog wat verheldering vereiste. 60 Zie inventarisnummer 1. 61 Zie inventarisnummer 2924. 62 Hierbij werden 300-tal persoonsdossiers beschreven door Claire Morillon, Frans historica, die in het KLM- MRA in het kader van een intermuseaal uitwisselingsproject bijsprong in de activiteiten van het museum en de documentatiedienst. 63 Het bestand van het Korps van de Krijgsgevangenen is geïnventariseerd. De bestanddelen van de Generale Staf van het Groot Hoofdkwartier en de legerafdelingen zitten in de dozen 58, 63, 5602, 5521, 3535, 5501, 2328, 2281, 4536. 31 De op nummer geklasseerde serie inlichtingenfiches model 5 werden op volledigheid gecontroleerd. Daarna waren de steekkaarten aan de beurt. Al snel werd duidelijk dat er naast de uit het institutioneel onderzoek naar voren gekomen series van inlichtingenfiches en steekkaarten er nog twee andere steekkaartensystemen, m.n. de toegang tot de dossiers en fiches van gehospitaliseerde krijgsgevangenen, in het archiefbestand te zitten. Ook enkele kleine series van fiches avoir, een serie steekkaarten met betrekking tot de nalatenschappen van krijgsgevangenen en een serie identiteitskaarten werden gelokaliseerd. Alle series, een 42 000-tal steekkaarten, zaten verspreid over tientallen dozen en de hoofdmoot werd elk naar serie in fichebakken geordend en in oorspronkelijke alfabetische orde geklasseerd. Voor de beschrijving van het bestand werd er per Russische doos een fiche opgesteld waarop alle beschrijvingen van de aanwezige relevante archiefbestanddelen werden genoteerd. In eerste instantie werden in de beschrijvingen ook het doosnummer en daar waar beschikbaar de oude nummering volgens de agenda64 opgenomen. Bij de laatste vormgeving van de inventaris werden het doosnummer en de agendanummers weggelaten. De gegevens zijn echter wel opgenomen in de inventaris voor het archiefdossier. Een ingrijpende herordening van het archiefbestand bleek niet nodig. Hoewel de bestanddelen over verschillende dozen verspreid zitten, is de oude orde vrij goed bewaard en gedocumenteerd gebleven. De opeenvolgende archiefvormers hanteerden eenzelfde ordeningstelsel en pasten nieuwe bevoegdheden hier vlot en herkenbaar in. Alle inkomende stukken en minuten van uitgaande stukken betreffende één bepaalde zaak kregen eenzelfde nummer in de agenda. Dit nummer vinden we ook terug op vrijwel alle stukken alsook op de omslagen van de aangelegde dossiers. De inlichtingendienst produceerde nagenoeg enkel persoonsdossiers die op agendanummer per taak gevormde rubriek werden geordend en geklasseerd. Deze taken vertaalden zich in een achttiental rubrieken waarvan een aantal in de overdrachtslijst van 1921 duidelijk naar voren komen, anderen werden uit de stukken en de verpakking zelf gefilterd. De Dienst hield van mei 1919 tot december 1922 ook een indicateur bij met verwijzingen via nummers naar de rubrieken. Zo kregen bijvoorbeeld de dossiers 64 Zie het broncommentaar met betrekking tot de toegang tot de dossiers van de inlichtingendienst. 32 inzake informatievragen het nummer acht, de dossiers inzake nalatenschappen het nummer negen, en de dossiers inzake overlijdens het nummer zes. Dit classificatiesysteem werd ingevoerd door de Dienst van de Duitse Krijgsgevangenen van het Ministerie van Oorlog en de Middendienst bouwde voor deze Dienst daarop verder. Een aantal rubrieken, zoals de dossiers 13, 14, 15 en vooral de dossiers 10 divers kunnen bestempeld worden als diversen. Het betreft hier een zeer beperkt aantal dossiers met een moeilijk te klasseren inhoud waarbij de archiefvormer aarzelde ze onder te brengen in één van de grote rubrieken. In een aantal gevallen is het dossier zelfs in eerste instantie in een grote rubriek geklasseerd om het daarna in een aparte, minder duidelijk te omschrijven rubriek onder te brengen. De beweegredenen hiervoor zijn onduidelijk. Voor deze dossiers is bij de ordening een afweging gemaakt. Alle bestanddelen die oorspronkelijk in één van de grote rubrieken geklasseerd waren, werden daarin teruggeplaatst. De andere bestanddelen, meestal met een algemenere inhoud, werden ondergebracht in de rubrieken die het best bij de functie van de dossiers pasten. De herordening van het bestand beperkte zich zodoende tot, daar waar nodig, het in de juiste volgorde plaatsen volgens het agendanummer van de dossiers. Binnen de series dossiers werden ook de verspreid zittende taakgerichte dossiers en briefwisseling van algemene aard geïsoleerd en apart beschreven op het niveau van toepassing. Een alfabetische ordening van de persoonsdossiers binnen de jaren was niet mogelijk aangezien heel wat dossiers over meerdere krijgsgevangenen handelen. Voor het archiefschema is er op het hoogste niveau een eigen indeling gemaakt, waarbij de taken in een viertal bevoegdheden werden samengebracht. Afgezien van het secretariaat komen deze overeen met de omschrijving van de opdracht en de functie van de Dienst voor de Duitse Krijgsgevangenen: het beheren van de krijgsgevangenen, het verstrekken van informatie en het opvolgen van de tegoeden van de krijgsgevangenen65. 65 Zie inventarisnummer 2924. 33 Hoewel er meerdere Diensten en instellingen mee het bestand gevormd hebben, blijkt duidelijk uit het institutioneel onderzoek dat het bestand op naam van de Dienst van de Duitse Krijgsgevangenen van de Belgische Middendienst voor de Krijgsgevangenen gezet kan worden. Een onderzoeker die enkel de overgedragen bestanddelen van de Dienst Nalatenschappen van het Ministerie van Oorlog of de Dienst mandaten van het Korps van de Krijgsgevangenen wenst te raadplegen, kan via de voetnoten in het hoofdstuk over de geschiedenis van de archiefvormer de betreffende bestanddelen terugvinden. Alle andere bestanden gedateerd voor 13 december 1917, de datum van overdracht van het archiefbestand naar de Middendienst, komen voort uit de handelingen van de Dienst voor de Krijgsgevangenen van het Ministerie van Oorlog. 34 ARCHIEFSCHEMA I. Secretariaat II. Beheer van de krijgsgevangenen A. Registratie van de krijgsgevangenen B. Werkzaamheden in functie van de samenwerking met Frankrijk C. De opvolging van de repatriëring van bepaalde categorieën krijgsgevangenen III. Inlichtingendienst A. Dienst Informatieverstrekking B. Dienst Overlijdens C. Dienst Nalatenschappen D. Dienst Mandaten E. Dienst aanvragen verblijfsvergunningen en vrijlatingen F. Dienst verwerking van klachten over de behandeling van de krijgsgevangenen IV. Tewerkstelling en tegoeden A. Registratie van de tewerkstelling en de tegoeden B. Financieel beheer 35 IV. RAADPLEGING EN GEBRUIK A. VOORWAARDEN VOOR DE RAADPLEGING Het bestand is vrij raadpleegbaar. B. VOORWAARDEN VOOR DE REPRODUCTIE De voorwaarden worden bepaald door het leeszaalreglement van het documentatiecentrum van het KLM/MRA. C. TAAL EN SCHRIFT De taal van de stukken is Frans. V. VERWANT MATERIAAL A. DOCUMENTEN MET EEN VERWANTE INHOUD Het archief spreekt een breed publiek van onderzoekers aan. Ontegensprekelijk bieden de persoonsdossiers en inlichtingenfiches een schat aan informatie voor genealogen, onderzoekers geïnteresseerd in het leven of militaire loopbaan van bepaalde personen en prosopografische vraagstellingen. De steekkaarten en fiches van de inlichtingendienst lenen zich ook voor zuiver statistische vraagstellingen. Ook voor ruimere vraagstellingen is het bestand bijzonder interessant. Het archief biedt immers een antwoord op de vraag hoe België tijdens Wereldoorlog I met zijn Duitse krijgsgevangenen omging en welke de interactie met humanitaire en gouvernementele organisaties was. Daarnaast vormt het een mooie illustratie van de toepassing van de internationale afspraken omtrent krijgsgevangenen. De vraagstelling kan opengetrokken worden door een opname van de krijgsgevangenenproblematiek tijdens en na Wereldoorlog II. Omdat de Middendienst als inlichtingendienst in contact kwam met heel wat instellingen en andere Diensten is het aangewezen ook enkele aanverwante archieven te raadplegen. We beperken ons hier tot een summiere opsomming van de belangrijkste archiefvormers relevant voor de studie van de Duitse krijgsgevangenen onder Belgische hoede tijdens Wereldoorlog I. 36 - Archief van de Belgische Middendienst voor de Krijgsgevangenen, 1914-192 (Algemeen Rijksarchief Brussel). - Archiefbestand van de Belgische Middendienst voor de Krijgsgevangenen bestaande uit de persoonsdossiers en steekkaarten van de Belgische krijgsgevangenen, 1914- 1918 (KLM/MRA, toegankelijk via een steekkaartensysteem). - Archief van het Korps van de Krijgsgevangenen, 1918-1921 (KLM/MRA). - Diverse archiefbestanddelen van het Kabinet van het Ministerie van Oorlog, de Generale Staf van het Groot Hoofdkwartier en diverse legereenheden (KLM/MRA, Fonds 185 Moskou). - Archiefbestand van de Dienst Militaire Grafsteden, 1919-1928 (KLM/MRA, niet geïnventariseerd). 37 B. PUBLICATIES Eigentijdse publicaties: - Liste des Quartiers-Maîtres avec indication des unités qu’ils ont administrées depuis le 1er août 1914, Ministerie van Oorlog, [Brussel], s.d. - Réglement sur la droit de la guerre et instruction sur le Service des Prisonniers de Guerre, Brussel, Guyot Fréres Editeurs, 1911. Gedrukte bronnen: - Années 1914. Armée Belge. Annuaire Officiel. Brussel, Imprimerie du Ministère de la Défense Nationale, 1914. - Années 1924-1925. Armée Belge. Annuaire Officiel. Brussel, Imprimerie du Ministère de la Défense Nationale, 1925. - Années 1926-1927. Armée Belge. Annuaire Officiel. Brussel, Imprimerie du Ministère de la Défense Nationale, 1926. - Œuvre d’assistance aux prisonniers belges en Allemagne. Comité central : Le Havre. Rapport présenté à l’assemblée générale du 9 décembre 1916, Parijs, 1917. - Œuvre d’assistance aux prisonniers belges en Allemagne. Comité central : Le Havre. Rapport présenté à l’assemblée générale du 26 février 1917, Parijs, 1917. - Office central belge pour les prisonniers de guerre. Troisième rapport annuel, présenté à l’assemblée générale du 10 janvier 1918, Brussel, 1918. - Office central belge pour les prisonniers de guerre. Quatrième et dernier rapport septembre 1917- mars 1924, Brussel, 1924. 38 Studies: - Delpal B., Entre culpabilité et réparation: la douloureuse situation des prisonniers de guerre Allemands maintenus en France au temps du traité de Versailles, in: 14-18 aujourd’hui, today, heute : Revue Anuelle d’Histoire, 2001, 4, pp.124-137. - Herrebout E., De Duitse Archivschutz in België tijdens de Tweede Wereldoorlog, Algemeen Rijksarchief, Brussel, 1997. - Immigrants and Minorities, Oxon, Taylor & Francis, 2008, vol 28, nr. 1-2 [themanummer over krijgsgevangenen]. - Lust J., W. Steenhaut, & M. Vermote, Een zoektocht naar archieven. Van NISG naar AMSAB, Gent, Druk in de weer, 1997. - De terugkeer van de ‘Russische’ archieven,in: Vizier, driemaandelijks infoblad van het Koninklijk Legermuseum, Brussel, 2002, nr. 15, pp. 1-2. - Oltmer J. (red.), Kriegsgefangene im Europa des Ersten Weltkriegs, Paderborn, Ferdinand Schöningh, 2006. - Grimsted, P., F.J. Hoogewoud & E. Ketelaar (red.), Returned from Russia. Nazi Archival plunder in Western Europe and recent restitution issues, Institute of art and law and contributors, 2007 - Marks S., Innocent Abroad. Belgium at the Paris peace conference of 1919, Chapel Hill, University of North Carolina Press, 1981. - Tasnier M. en Van Overstraeten R., La Belgique et la guerre III. Les opérations militaires, Brussel, Henri Bertels, 1926. 39 - Vanden Bosch H., Inventaris van het archief van de Belgische Middendienst voor de Krijgsgevangenen (1914-1925), Brussel, Algemeen Rijksarchief, 2009. - Verhaeghe J., Documenten over Belgen, tijdens de Eerste Wereldoorlog in Duitsland gevangen of in neutrale landen geïnterneerd, in: Belgisch Tijdschrift voor Militaire Geschiedenis, 1982 (24), nr. 8. 40 VI. BESCHRIJVINGSBEHEER Deze inventaris, ingediend als meesterproef voor de ManaMa-opleiding in de Archivistiek (2008-2009), is het resultaat van een uitermate boeiende stage en inventarisatieopdracht in het documentatiecentrum van het Koninklijk Museum van het Leger en de Krijgsgeschiedenis. Nagenoeg aansluitend werd voor de conditionering van onderhavig bestand en de ontsluiting van het archief van het Korps van de Krijgsgevangenen in 2011 een samenwerkingsproject tussen het KLM/MRA en de Vrije Universiteit Brussel opgestart. Ik dank Prof. dr. Frank Scheelings (VUB) en mevr. Anne Godfroid, diensthoofd van het documentatiecentrum voor het mogelijk maken ervan. Voorts dank ik ook prof. dr. Gustaaf Janssens (ARA), tevens ook promotor van deze verhandeling. Hans Vanden Bosch inventariseerde het archiefbestanddeel van de Middendienst aanwezig in het Algemeen Rijksarchief (ARA) en was vanzelfsprekend het aanspreekpunt voor alles daaromtrent. Voor een gesprek gaande van archivistiek tot de tewerkstelling van krijgsgevangenen kon dr. Luc Vandeweyer (ARA) altijd wel wat van zijn vrije tijd vrijmaken en over de Dienst Militaire Grafsteden wist dhr. Rob Troubleyn mij deskundig te onderhouden. Claire Morillon, Frans historica, hielp in het kader van een uitwisselingsproject voor jonge museumprofessionals, mee aan de beschrijving van enkele archiefbestanddelen. Tot slot en niet in het minst belangrijk, werd voor de conditionering van het bestand beroep gedaan op Elena Antonova, medewerkster van het documentatiecentrum. Het bestand is beschreven volgens de ISAD(G) norm. Voor de lay-out van de inventaris werd ervoor gekozen het ISAD(G)-sjabloon voor de opmaak van inventarissen te gebruiken dat ontwikkeld werd door het Rijksarchief. 41 42 INVENTARIS